Harry Mulisch (1927 – 2010) woonde en werkte aan de Leidsekade in Amsterdam. Zijn werkkamer – vol boeken, prenten en bijzondere voorwerpen – is als een gestolde weergave van Mulisch’ werk en leven. Dat leven en werk verdient de volle aandacht en inspireert steeds weer nieuwe onderzoekers, kunstenaars, denkers en schrijvers. Het Harry Mulisch Huis is al meer dan tien jaar een broedplaats voor kunst, cultuur en wetenschap in het hart van Amsterdam.
Nieuws
Mulisch en muziek
Muziek speelt een belangrijke rol in het werk van Harry Mulisch en daarom brengen we op zaterdag 8 maart muziek en literatuur samen in het Harry Mulisch Huis. Musici Leonard Besseling (cello), Sjaan Oomen (viool) en Fee Suzanne de Ruiter (mezzosopraan) voeren werk uit dat raakt aan het oeuvre van de schrijver – van een …
De aanslag op het toneel
De veelgeprezen toneelbewerking van De aanslag van Harry Mulisch komt dit jaar terug in de theaters. Het indringende verhaal over de oorlog, over schuld en over de omgang met een traumatisch verleden is ook nu, 80 jaar na de bevrijding, een must-see. Leendert de Ridder speelt de rol van Anton Steenwijk. De overige rollen worden …
Museumnacht 2024
Tijdens de Amsterdamse Museumnacht wisten honderden bezoekers hun weg te vinden naar het Harry Mulisch Huis aan de Leidsekade. Met korte rondleidingen kregen zoveel mogelijk geïnteresseerden de mogelijkheid om zich onder te dompelen in de bijzondere sfeer van de werkkamer van de schrijver – vol boeken, schrijfwaren en prenten.
Lezen

Ik kan niet dood zijn is een verzameling van de meest rake bespiegelingen die Harry Mulisch over een periode van zestig jaar optekende. Sommige belandden al in zijn boeken, andere bleven in schriftjes, op losse velletjes en op blocnotes in zijn werkkamer liggen en verschijnen hier, verzameld door Kitty Saal en Johan Kuiper, voor het eerst in druk. Met een onstuitbare nieuwsgierigheid en een feilloos instinct bestudeerde en beschouwde Harry Mulisch de raadsels van het schrijven, van de kunst, van het bestaan, van de tijd en van de dood. Hij deed dat zonder aarzeling, met open vizier en een lach, wetend dat er met ieder antwoord altijd weer nieuwe raadsels opdoemen.

‘Ik zal een wondergrijsaard zijn, let maar eens op,’ schreef Harry Mulisch in 1972 in Het ironische van de ironie. Zijn voorspelling kwam uit.
In De wondergrijsaard portretteert Onno Blom de grote schrijver in zijn laatste jaren, dagen, uren, minuten. Hij laat zien welke rol de dood in het leven van Mulisch speelde. Blom baseert zich daarbij op de vele notities die hij maakte van zijn gesprekken met Mulisch, in wiens werkkamer hij wekenlang bivakkeerde toen hij aan Zijn getijdenboek werkte. De twee bleven elkaar geregeld zien. Tot aan het einde. Daarnaast sprak Blom uitgebreid met Mulisch’ vrienden, collega-schrijvers en naaste familie voor dit intieme, ontroerende portret van de kunstenaar als oude man.

Op een bijna duivelse manier creëerde Harry Mulisch met de heer Tiennoppen een personage dat in worsteling is met de werkelijkheid. Het is in de nacht of in de schemering, in de tijd waarin het licht bedrieglijk wordt, dat Tiennoppen ten prooi valt aan zichzelf en aan een giftige wereld die vooral in zijn verbeelding bestaat. Het is een wereld waarin niemand hem meer herkent, een gewelddadige wereld waarin Tiennoppen zonder pardon motorrijders laat verongelukken en automobilisten de gracht in laat rijden. Hij kan met twee tongen spreken en buiten zichzelf raken. In deze magisch-realistische taferelen schept Mulisch een hedendaagse Elckerlyc: Tiennoppen staat voor de mens die zich geen raad weet met de clichématige en vastgelegde culturele patronen van de maatschappij. Mulisch’ verhalen vormen daarvoor de magistrale uitweg.