Harry Mulisch Huis

Harry Mulisch (1927 – 2010) woonde en werkte aan de Leidsekade in Amsterdam. Zijn werkkamer – vol boeken, prenten en bijzondere voorwerpen – is als een gestolde weergave van Mulisch’ werk en leven. Dat leven en werk verdient de volle aandacht en inspireert steeds weer nieuwe onderzoekers, kunstenaars, denkers en schrijvers. Het Harry Mulisch Huis is al meer dan tien jaar een broedplaats voor kunst, cultuur en wetenschap in het hart van Amsterdam.

Nieuws

Tentoonstelling in Allard Pierson geopend

In zijn werkkamer of ‘laboratorium’ aan de Leidsekade in Amsterdam omringde de schrijver Harry Mulisch (1927-2010) zich met allerlei voorwerpen die belangrijk waren voor zijn werk. Zijn verzameling Egyptische oudheden neemt er een prominente plek in. Al uit Mulisch’ vroegste werk blijkt zijn interesse voor het oude Egypte. Tien jaar na zijn dood en dertien …

Lezen

Ik kan niet dood zijn is een verzameling van de meest rake bespiegelingen die Harry Mulisch over een periode van zestig jaar optekende. Sommige belandden al in zijn boeken, andere bleven in schriftjes, op losse velletjes en op blocnotes in zijn werkkamer liggen en verschijnen hier, verzameld door Kitty Saal en Johan Kuiper, voor het eerst in druk. Met een onstuitbare nieuwsgierigheid en een feilloos instinct bestudeerde en beschouwde Harry Mulisch de raadsels van het schrijven, van de kunst, van het bestaan, van de tijd en van de dood. Hij deed dat zonder aarzeling, met open vizier en een lach, wetend dat er met ieder antwoord altijd weer nieuwe raadsels opdoemen.

‘Ik zal een wondergrijsaard zijn, let maar eens op,’ schreef Harry Mulisch in 1972 in Het ironische van de ironie. Zijn voorspelling kwam uit.

In De wondergrijsaard portretteert Onno Blom de grote schrijver in zijn laatste jaren, dagen, uren, minuten. Hij laat zien welke rol de dood in het leven van Mulisch speelde. Blom baseert zich daarbij op de vele notities die hij maakte van zijn gesprekken met Mulisch, in wiens werkkamer hij wekenlang bivakkeerde toen hij aan Zijn getijdenboek werkte. De twee bleven elkaar geregeld zien. Tot aan het einde. Daarnaast sprak Blom uitgebreid met Mulisch’ vrienden, collega-schrijvers en naaste familie voor dit intieme, ontroerende portret van de kunstenaar als oude man.

Op een bijna duivelse manier creëerde Harry Mulisch met de heer Tiennoppen een personage dat in worsteling is met de werkelijkheid. Het is in de nacht of in de schemering, in de tijd waarin het licht bedrieglijk wordt, dat Tiennoppen ten prooi valt aan zichzelf en aan een giftige wereld die vooral in zijn verbeelding bestaat. Het is een wereld waarin niemand hem meer herkent, een gewelddadige wereld waarin Tiennoppen zonder pardon motorrijders laat verongelukken en automobilisten de gracht in laat rijden. Hij kan met twee tongen spreken en buiten zichzelf raken. In deze magisch-realistische taferelen schept Mulisch een hedendaagse Elckerlyc: Tiennoppen staat voor de mens die zich geen raad weet met de clichématige en vastgelegde culturele patronen van de maatschappij. Mulisch’ verhalen vormen daarvoor de magistrale uitweg.